SBN ondersteunt ook bij het opzetten en implementeren van het veiligheidsbeleid binnen uw bedrijf. Wij verzorgen voor u alles op het gebied van veiligheid zoals de Quickscan, de Risico-Inventarisatie & Evaluatie (RI&E), het noodplan, het ontruimingsplan, ontruimingstekeningen en vluchtrouteplattegronden.

Stichting Bedrijfshulpverlening Nederland

proefexamen Brandbestrijding & ontruiming

 1.

Hoe snel na een melding moet een BHV-er starten met het uitvoeren van zijn/haar taken? 

a.Binnen 10 minuten
b.Binnen enkele minuten
c.Binnen 6 minuten
 
 2. Wat is één van de BHV-taken bij een ontruiming?
a.Het inschakelen van 'slow-whoop'
b.Het leiden van een algehele ontruiming
c.Controleren of er niemand is achtergebleven op de werkplek
 3. Volgens de Arbeidsomstandighedenwet is de werkgever verplicht om ervoor te zorgen dat:
a.Er altijd een Ploegleider BHV aanwezig is, die de BHV-ers leidt
b.Er BHV-ers zijn als er wordt gewerkt
c.Er tenminste één BHV-er aanwezig is per afdeling
 4.Als BHV-er neemt u een zogenaamde 'voorpostfunctie' in. Wat wordt hiermee bedoeld?
a.Dat u bij elk incident als eerste ter plekke bent
b.Dat u altijd in staat bent op te treden
c.Dat u in staat bent, ten tijde van een calamiteit, de tijd te overbruggen die nodig is om professionele hulpverlening ter plaatse te krijgen
 5.Welke functie heeft een panieksluiting?
a.Deze zorgt ervoor dat deuren automatisch opengaan
b.Deze zorgt ervoor dat door lichte druk van binnenuit deuren opengaan
c.Deze zorgt ervoor dat bij brand deuren automatisch open gaan
 6.Wat voor eigenschappen heeft koolmonoxide (CO)?
a.Niet te ruiken en zichtbaar
b.Niet te ruiken en onzichtbaar
c.Goed te ruiken, maar onzichtbaar
 7.Als de schakelaar van de brandweerlift in de stand ‘brandweer' wordt gezet, waar gaat de liftkooi dan naar toe?
a.De benedenverdieping
b.De bovenste verdieping
c.De hoofdstopplaats

 8. Wat wordt verstaan onder een Klasse C-brand?
a.Een gasbrand
b.Een vloeistofbrand
c.Een metaalbrand
 9. Wanneer moet de noodverlichting gaan branden?  
a.Als deze wordt ingeschakeld
b.Automatisch als het donker wordt
c.Tijdens een stroomstoring

 

 

10.Wat is het basisprincipe van brandbestrijding?
a.Het gesloten houden van deuren en ramen
b.Het weghalen van één van de zijden van de branddriehoek
c.Het juiste blusmiddel gebruiken
11.Welke drie basisfactoren zijn nodig voor het ontstaan van brand?
a.Zuurstof, brandstof en menging
b.Zuurstof, brandstof en katalysatie
c.Zuurstof, brandstof en temperatuur


12. Vluchtwegen, nooduitgangen en uitgangen worden aangegeven door:
a.Noodverlichting
b.Nachtnoodverlichting
c.Transparantverlichting
13. Waarvoor gebruikt u een blusdeken?
a.Het blussen van een gasbrand 
b.Het inwikkelen van in brand staande personen
c.Om het slachtoffer te beschermen tegen onderkoeling
14.Wie heeft de algehele leiding bij een ontruiming?
a.Een persoon aangewezen door de directie
b.Een BHV-er
c.Een afdelingschef die als eerste ontruimd wordt
15.Welke giftige stof komt bij iedere brand vrij?
a.Stikstof
b.Chloorgas
c.Koolmonoxide
16.Wat doet u als eerste als u een brand achter een deur vermoedt?
a.De deur onmiddellijk openen
b.De deur koelen met water
c.Voelen of de deur warm is
17.In een ontruimingsplan staat beschreven:
a.Hoe een gebouw ontruimd moet worden
b.Wanneer een gebouw betreden mag worden
c.Hoeveel tijd een ontruiming maximaal in beslag mag nemen
18. Een nooduitgang moet altijd geopend kunnen worden:
a.Vanuit zowel de binnen- als de buitenzijde
b.Alleen vanuit de binnenzijde
c.Alleen vanuit de buitenzijde
   
19.Tijdens werkzaamheden in een elektriciteitskast ontstaat door kortsluiting brand.
Welk blusmiddel mag u zeker niet gebruiken?

a.Poeder
b.Sproeischuim
c.Water
20.Wat doet u als u een signaal van de “slow-whoop” hoort? 
a.Ontruimen volgens procedure
b.112 bellen
c.Verzamelen
21.U staat voor een deur. De scharnieren zijn zichtbaar. Waar draait deze deur naar toe?
a.Van u af
b.Naar buiten
c.Naar u toe

     
22.Op welke manier wordt een brand van vaste stoffen aangeduid?
a.Brandklasse F
b.Brandklasse B
c.Brandklasse A
23.Wat is betekenis van het hieronder afgebeelde etiket?
a.Brandbare stoffen
b.Explosief
c.Giftige stoffen
24.Wat is een dagelijks aandachtspunt voor een
BHV-er?
Het controleren van:
a.Blustoestellen
b.Vluchtroutes
c.Panieksluitingen
25. Met welke van onderstaande communicatiemiddelen is het niet mogelijk om met anderen te spreken? 
a.Een mobiele telefoon
b.Een portofoon
c.Een omroepinstallatie
26.

Waaraan is een CO2 blusser te herkennen?

a.Aan een lange slang
b.Aan een grote koker
c.Aan een smalle spuitmond

27.Wanneer moet een bedrijf een brandmeldinstallatie hebben?
a.Als het bedrijf teveel loze meldingen doet bij de brandweer
b.Als de gemeentelijke Bouwverordening dit eist
c.Bij meer dan 15 werknemers in dienst
28. De deur die met een kleefmagneet wordt opengehouden is: 
a.Een branddeur
b.Een vluchtdeur
c.Een tochtdeur
29. Op welke plaats in de vlammen moet u de blusstraal richten? 
a.Op de onderkant
b.Op de bovenkant
c.In het midden

30.Welk communicatiemiddel is het meest geschikt om een groep mensen toe te spreken?
a.Een portofoon
b.Een semafoon
c.Een megafoon



      
  

ANTWOORDEN
PROEFEXAMEN BRANDBESTRIJDING & ONTRUIMING: 

1b  11c  21c
2c  12c  22c
3b  13b  23b
4c  14a  24b
5b  15c  25c
6b  16c  26b
7c  17a  27b
8a  18b  28c
9c  19c  29a
10b  20a  30c